Coördinatievermogen

Coördinatievermogen:

Aanpassingsvermogen, reactievermogen, stuurvermogen, combinatievermogen, oriëntatievermogen, evenwichtsvermogen, anticipatievermogen, behendigheid, ritmegevoel, bewegingselasticiteit, koppelingsvermogen, differentiëringsgevoel, wendbaarheid, soepelheid. 

Basis, in volgorde van belangrijkheid en in de opbouw van pupil > junior > senior:

  1. Loop- spring- en werpspelen, gymnastiek, trek- en duwkampen enz.
  2. Uithoudingsvermogen – coördinatie training – core stability – behendigheidsoefeningen
  3. Kracht – snelheid – lenigheid – reactiespelen – evenwicht.
  4. Specialisatie

Veelzijdig bewegen als basis voor een optimale sportprestatie.

Door middel van behendigheidstraining willen we de aanwezige soms ruwe ongecoördineerde kracht cultiveren. Dat betekent: gaan lopen, springen, werpen, trappen, tillen, duwen, zwaaien, hangen, draaien, rollen, balanceren, touwtje springen, reactiespelen enz. Het hele lichaam moet harmonisch, in balans ontwikkeld worden. De kracht hierin is veelzijdig trainen en veelzijdige trainingsstof aanbieden. 

Coördinatieve vaardigheden:

Ruimtelijk oriëntatievermogen. Kinderen leren zich te oriënteren als ze met elkaar in een kleinere ruimte spelen.

Het gevoel van bewegingsdifferentiatie. Kinderen leren hun krachten in het spel verdelen. Kiezen positie of lopen juist weg. Snel de juiste (ook nieuwe) bewegingsoplossingen zoeken.

Het dynamische evenwichtsgevoel. Snel kunnen afremmen, draaien, wenden zonder balans te verliezen, is een voorwaarde voor snel handelen, vooral in spelsituaties.

Motorisch (akoestisch, tactiel en optisch) reactievermogen. Snel reageren met de juiste beweging op gevoel-, geluid en visuele prikkels.

Ritme- en tempogevoel bij ingewikkelde bewegingsstructuren. De vaardigheid om snel van ritme/ frequentie te veranderen of juist aan te passen aan een nieuwe motorische actie. Ook bij ingewikkelde bewegingsstructuren of opdrachten.

Motorisch differentiatievermogen. Dit is het vermogen om een of meer deelbewegingen gelijktijdig uit te voeren. Bijvoorbeeld een bal met de voet naar elkaar toespelen en nagenoeg tegelijkertijd een bal naar elkaar werpen en vangen.

Motorisch koppelingsvermogen. Dit is het vermogen om deelbewegingen achter elkaar (of in elkaar overlopend) in het juiste tempo (soms vertragend soms versnellend) met een bewegingsdoel als eindvorm technisch correct uit te voeren. Bewegingen of technieken leren gaat vaak uit van de totaalbeweging. Basale vormen als lopen, springen en werpen kunnen zonder noemenswaardige methodieken snel en goed uitgevoerd worden. Voor ingewikkelde bewegingsstructuren is dat niet mogelijk. 

Spel- en oefenvormen

  1. Conditionele vaardigheden   : Snelheid, uithoudingsvermogen, kracht
  2. Coördinatieve aanleg            : Voor: lopen, springen, werpen afhankelijk                                                    van neuromusculaire systemen en stofwisseling enz.
  3. Coördinatieve vaardigheden : Ruimtelijk oriëntatievermogen 
                                                      Bewegingsdifferentiatie 
                                                      Dynamisch evenwichtsgevoel
                                                      Motorisch reactievermogen
                                                      Ritme - en tempogevoel
  4. Psyche                                    : Creativiteit
                                                      Emotionaliteit
                                                      Ontspanning
                                                      Sociale vaardigheden 

Tikspelen als inleiding. Geen enkele sporter kan koud aan de slag gaan. De motor moet eerst opgestart worden. Dat geld ook voor de jeugd. De kans op blessures zonder een rustig opgebouwde warming up is ook bij de jeugd wel degelijk aanwezig. Denk daarbij aan veiligheid. Betrek alle aanwezigen. Kans op succes moet groot zijn, succesbeleving!
Overzicht houden. Positie bepalen. Aanwijzingen geven. 

Voorbeelden van tikspelen:

Chinese muur. Eén tikker op de middellijn. Wordt bij overlopen een speler getikt dan wordt een tweetal gevormd. Dit tweetal wordt na tikken een drietal enz.

Koop een koe. Twee spelers tegenover elkaar. Eén tikt de ander en rent een aangegeven richting op. De andere reageert snel en tikt hem zo snel mogelijk af.

Vlugtikkertje. De tikker(s) moet(en) in een bepaalde tijd zoveel mogelijk spelers tikken. Als je getikt bent speel je door. Hoeveel getikt?

Wisseltikkertje. Degene die getikt wordt is de nieuwe tikker. Tikker is herkenbaar door lint,hesje, hoedje pion ed.

Schepnet. Tikker heeft een schepnet (hoepel of fietsband).

Staarttikkertje. Spelers hebben een lint als staart. Tikker verzameld zoveel mogelijk staarten.

Ongelukstikkertje. Er wordt getikt waarbij de nieuwe tikker een hand op de plaats moet houden waar hij getikt is.

Hindernistikkertje. Er staan hindernissen in het veld. Bokken, hekjes ed. De tikker(s) moeten zoveel mogelijk spelers tikken (in bepaalde tijd).

Tikkertje met vrijplaatsen. Een aantal hoepels of fietsbanden gelden als vrijplaatsen, niet langer dan 3 tellen.

Tweelingtikkertje. Twee spelers geven elkaar een hand of houden een stok/stick of touw  vast waardor zij verbonden zijn en tikken zoveel mogelijk andere spelers.

Paard-en-wagen tikkertje. Paard en wapen zin door een touw/teugels verbonden.

Bokstaan verlos. De spelers die getikt zijn kunnen door bok te staan verlost worden.

Spreidstand verlos. De spelers die getikt zijn kunnen door in spreidstand te staan verlost worden.

Krokodillentikkertje. De spelers vormen een sliert. De tikker moet de laatste speler van in de sliert tikken. 

Bron: Atletiek, een veelzijdig oefenstofboek, Harry Dost.